Langstlevende echtgenoot

Rechten langstlevende partner

De erfrechtelijke positie van de langstlevende echtgenoot of geregistreerde partner

Het is onvoorstelbaar maar waar: vóór 1923 erfden bij het overlijden van een echtgenoot diens kinderen of andere bloedverwanten krachtens de wet de gehele nalatenschap. De weduwe of weduwnaar had het nakijken.

In dat jaar werd een belangrijke verbetering ingevoerd: de echtgenoot en de kinderen erfden voortaan een gelijk deel; (het erfdeel van een tweede echtgeno(o)t(e) zou echter tot in de jaren ’70 aan een maximum gebonden blijven als de overledene ook kinderen uit een eerste huwelijk achterliet).

Het werd in 1923 mogelijk een ouderlijke boedelverdeling-testament – ook wel “testament op de langstlevende” genoemd – te maken waarbij de gehele nalatenschap aan de langstlevende echtgenoot werd toebedeeld en aan ieder der kinderen een vordering op laatstgenoemde. Deze testamenten waren niet altijd onaantastbaar.

Verbeterde erfrechtelijke positie

In 2003 is de erfrechtelijke positie van de langstlevende, niet van tafel en bed gescheiden echtgenoot c.q. geregistreerde partner verder verbeterd.

  1. Als men een echtgenoot/geregistreerde partner plus één of meer kinderen achterlaat en men niet bij testament anders beschikt, wordt de nalatenschap van de eerststervende partner door de wet verdeeld: de gehele nalatenschap gaat van rechtswege naar de overblijvende partner; de kinderen verkrijgen een niet-opeisbare vordering op laatstgenoemde (zie de tekst: de wettelijke verdeling).
  2. De langstlevende partner heeft altijd het recht om de woning waarin hij/zij tot het overlijden woonde, tot 6 maanden na het overlijden onder dezelfde voorwaarden te blijven bewonen; ook de inboedel mag hij/zij gedurende die periode blijven gebruiken. Die recht kan de langstlevende partner niet ontnomen worden.
  3. Voor het geval de langstlevende partner onterfd is, of de overleden partner bij testament de regels van de wettelijke verdeling heeft uitgesloten, kortom, voor het geval de langstlevende als gevolg van hetgeen de overleden partner bij testament heeft bepaald, niet of niet de enige rechthebbende op woning en inboedel is, heeft de wet een regeling ten behoeve van de langstlevende mogelijk gemaakt om deze een passend verzorgingsniveau te verschaffen. Deze regeling houdt in, dat de erfgenamen van de overledene verplicht zijn mede te werken aan de vestiging van een vruchtgebruik op woning en inboedel ten behoeve van de langstlevende, als deze dit van hen verlangt. Als de langstlevende voor zijn/haar verzorging een vruchtgebruik op meer goederen der nalatenschap behoeft, zijn de erfgenamen van de overledenpartner verplicht ook aan de vestiging daarvan mede te werken als dit van hen verlangd wordt. De kantonrechter kan de langstlevende partner de bevoegdheid verlenen de aan vruchtgebruik onderworpen goederen/gelden te verkopen en op te maken als diens verzorgingsbehoefte dat nodig maakt.

De langstlevende partner die overweegt aanspraak te maken op de vestiging van een vruchtgebruik, dient zich ervan bewust te zijn, dat deze mogelijkheid na verloop van tijd vervalt; (voor vruchtgebruik op woning/inboedel : 6 maanden na het overlijden, en voor vruchtgebruik op de overige goederen: 1 jaar na het overlijden).

Uitzondering

De langstlevende echtgenoot kan geen aanspraak maken op de vestiging van vruchtgebruik, als meer dan één jaar vóór het overlijden een procedure tot echtscheiding/scheiding van tafel en bed was aangevangen en die scheiding bij het overlijden nog niet tot stand was gekomen. Was de omstandigheid van de “nog niet totstandkoming” niet in overwegende mate toe te rekenen aan de langstlevende, dan kan deze wèl een beroep op de vestiging van vruchtgebruik doen.

Indien de rechthebbenden (meestal: de erfgenamen) van mening zijn, dat de langstlevende partner voor zijn/haar verzorging het vruchtgebruik niet (meer) nodig heeft, bijvoorbeeld omdat hij/zij zelf voldoende vermogen heeft, dan kan de kantonrechter op hun verzoek hen ontheffen van de verplichting om mede te werken aan de vestiging van het vruchtgebruik c.q. een reeds gevestigd vruchtgebruik beëindigen.

Ook kan de kantonrechter onder meer een gevestigd vruchtgebruik beëindigen als de hoofdgerechtigde een zwaarwegend belang bij die beëindiging heeft en – in vergelijking daarmee – het belang van de langstlevende partner door die beëindiging niet ernstig wordt geschaad.

Er is een verdergaande bevoordeling van de langstlevende partner mogelijk dan hiervoor is vermeld:

Men kan bij testament de partner tot enig erfgenaam benoemen en daarbij bepalen dat– indien de kinderen een beroep op hun legitieme portie doen – hun vorderingen eerst opeisbaar zullen zijn na het overlijden van de langstlevende.

Gepubliceerd/update op 2 februari 2015

1 reactie
  1. Bob Zorn

    Als de langstlevende ook sterft, erft de familie van de eerder overleden partner ook wat ?

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

*